Dit kan er gebeuren als je jong leertalent probeert te conformeren aan het gemiddelde en geen extra uitdaging biedt. Juffrouw, gaat u schamen!
Ik verveelde me. De rekensommetjes waren klaar. Ik wilde nieuwe, maar die kreeg ik niet. Ik moest wachten op de rest en me van de domme houden. Anderen moest ik immers ook een kans geven om hun sommetjes af te maken. Ik kon niet wachten om verder te gaan. Maar waarmee?
Ik keek naar buiten, droomde, en wist het: ik maakte een mooie tekening in mijn schrift. Ik met allemaal sterren om mij heen. Ik gebruikte alle twaalf potloodkleurtjes die ik had, uit zo een plat metalen doosje. Op dat doosje stond een plaatje van lachende schildpadjes en kinderdino’s die met enorme potloden aan het zeulen waren, en een octopus die met elke tentakel een ander potloodkleurtje vasthield. Na een eeuwigheid – de kleurrijke tekening in mijn schrift was al lang af - moesten de schriftjes bij de juf worden ingeleverd. Ze zou het vast een mooie tekening vinden.
Een dag later kreeg ik mijn schriftje weer terug. De sommetjes waren nagekeken. Er was met rode pen bij mijn tekening geschreven. Ik was bang voor de rode pen als er geen krullen stonden, maar wanneer foutjes ermee aangestreept waren, dan wel wanneer er commentaar stond.
‘Niet kleuren in je schrift! Alleen sommetjes, met grijs potlood!’
Mijn schriftje was vol. Alle volle schriftjes mocht ik mee naar huis nemen en aan mijn ouders laten zien. Maar deze wilde ik niet laten zien. Dan duurde het maar even wat langer voordat ik weer met een rekenschriftje thuiskwam. Ik voelde schaamte. Ik was erg bang dat ze het zouden ontdekken. Zelfs op mijn kamer mochten ze het niet vinden. Want er stond wel heel veel rood commentaar in dit schriftje, bij de tekening. Het schriftje moest dus vernietigd worden.
Onderweg naar huis liet ik het schriftje met de vrijwel foutloze sommetjes, geschreven met grijs potlood, en de kleurrijke tekening met het rode commentaar achter onder een dicht, stekelig struikje. Daar zou het niet gevonden worden, en vergaan tot pulp, voorgoed verdwenen zijn. De tekening mocht niet verscheurd worden, want ik had er toch zo veel moeite voor gedaan, en met langzaam verteren moest ik maar vrede krijgen.
Toen ik thuiskwam, voelde ik me verdacht. Ik wilde alleen maar schommelen in de tuin, niet eerst even iets eten, nee meteen schommelen. Hoog schommelen, zo hoog als maar kon, want dat mocht ik tenminste wel zelf weten.